Geschiedenis

IMG_6228micdepinteSinds 1868 herinnert villa “Pintemakerslust” de huidige en toekomstige generaties eraan, dat de ontvoogding van De Pinte en de verheffing tot zelfstandige gemeente het resultaat zijn van de ijverige inspanningen van advocaat Gustaaf van Hoorebeeke.

Toen van Hoorebeke, advocaat van de familie de Giey en verdienstelijk man, besloot om een villa te bouwen in de gemeente, boden de landbouwers direct bouwstenen aan, een mooi gebaar uit dankbaarheid en erkentelijkheid voor zijn werk voor de gemeente.

De Florastraat was aangelegd door locale tuinbouwers in de 19e eeuw als verbindingsstraat tussen Baron de Gieylaan en Langevelddreef en loopt in parallel (aan de noordkant) met de spoorweg Gent-Kortrijk. Hier zijn enkele van de oudste villa’s van de Pinte gebouwd, waaronder “Pintemakerslust”, alsook verschillende tuinbouwbedrijven.

De villa is gebouwd dicht bij het treinstation in de Florastraat, op het domein dat hij van de oude Mevrouw de Giey gekocht had. In 1882 werd de losstaande constructie achter het huis verbouwd en omgevormd tot afzonderlijke woning. Gustaaf van Hoorebeke woonde maar een vijftal jaren in de villa. Van 1883 tot 1895 bleef de villa gesloten. Op 15 juni 1895 verkocht hij de woning aan bloemist Julien Anthierens.

 Julien vestigde zich in De Pinte bij de spoorweg op de nog jonge leeftijd van 21. Hij was geboren in 1873 in Oudenaarde en behoorde tot een welgestelde familie. He volgde les in de Staatstuinbouwschool in Gent en leerde de geheimen van het vak bij Frans Steyaert in Langerbrugge en Louis Delaruye Tiellin in Gentbrugge.In 1902 trouwde hij met Florentina Meys, geboren in Antwerpen in 1866. Het echtpaar had twee zonen, Karel en Paul.

De nieuwe eigenaar moderniseerde niet alleen de inrichting, maar maakte het ook klaar om de thuis te worden van de eerste knolbegonia exporteur. Hij bouwde daartoe serres, die over de jaren in aantal groeiden. In april 1896 nam hij de eerste serres in gebruik met een oppervlakte van tien are. Hij introduceerde de teelt van knolbegonia in de streek, gebruik makend van de gunstige ligging in nabijheid van de het treinstation. In 1903 vergrootte hij de serres en het magazijn achteraan werd vergroot tot tegen de villa aan. Op 27 juni 1903 kocht hij twee hectaren grond van Gustaaf van Hoorebeke, aangrenzend aan zijn eigendom. In 1909 verkocht hij een deel van deze grond aan Louis Beghin. In 1904 breidde hij de serres opnieuw uit en bouwde ook serres op een aangrenzend perceel, over de beek. In 1908 voegde hij nieuwe serres toe op beide percelen. Uiteindelijk bedroeg de totale oppervlakte onder glas 3000 vierkante meter. In april 1912 verbouwde hij de villa, hij bouwde toen de toren in de linkervleugel en de loggia tegen de rechtergevel van de oorspronkelijke woning.

“Villa des Hortensias”, bedekt met wilde wingerd, “Ampelopsis veitchii”, biedt een mooi uitzicht, en toont de schoonheid van elk seizoen in zijn kleuren. Alhoewel de klimplanten delen van de woning bedekken, is de woning niet vochtig of koud, integendeel. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat de bouwkundige lijnen verdwijnen onder de groene en zware bladeren, maar er wel door worden verfraaid. Vele kale muren kunnen er alleen maar baat bij hebben, van deze verschillende tinten groen. Als de klimplanten zich harmonieus verspreiden over de gevels, wordt de villa alleen maar mooier.

BegoniaGedurende twintig jaar brachten zijn hard werk, gedreven door passie en gevoed door talent, hem vruchtbare beloning en grote voldoening. Vele hedendaagse begoniakwekers hebben hem als leermeester gehad en bij hem de waardevolle ervaring opgedaan om zelf vooraanstaande kwekers te worden. Onder hen zijn K. Moerman, Tr. Van Speybroek en Alf. Coryn de meest bekende.

In 1920 beëindigde zij activiteit als bloemist en besloot een andere richting in te slaan. Tot dan had hij zich toegespitst op het kweken van verschillende commerciële planten zoals azalea’s, araucaria’s. ficus, laurieren, palmen, hortensia’s en vooral knolbegonia’s. Van in het begin werden deze planten geëxporteerd naar Frankrijk, Duitsland en Rusland.

Geleidelijk aan verkocht hij zijn serres en planten. In 1920 werden de serres aan de linkerzijde van de villa afgebroken, en de serres aan de rechterkant werden tussen 1925-1926 afgebroken. Toen het bedrijf de deuren sloot, werden de planten overgenomen door L. Van Houtte, in 1919 in De Pinte aangekomen, met uitzondering van de knolbegonia die samen met het klantenbestand  werd overgenomen door Georges De Vos.

Julien nam tweemaal deel aan de Floraliën in Gent, de eerste keer in 1903 met “Araucaria excelsa”, een conifeer eigen aan het eiland Norfolk. In 1913 nam hij deel aan 13 wedstrijden en behaalde drie eerste prijzen, twee tweede prijzen en één derde prijs.

Zijn werk reikte verder dan het kweken van deze sierlijke planten. Naast de begoniakwekers kan de hele bevolking hem hiervoor dankbaar zijn. In 1929 ontving hij een herinneringsmedaille “van de Nationale Heropbouw” voor de diensten die hij had bewezen aan de Belgische en Franse hofbouwkunde. Het is geen geheim dat hij er altijd voor streefde om het treinverkeer naar De Pinte uit te breiden – voor de oorlog van 1940 – zodat vele inwoners ‘s middags thuis konden gaan middageten en in de namiddag terug op tijd op het werk in Gent konden geraken. Hij vroeg nooit om het onmogelijke en, op die manier, werden vele van zijn aanvragen door de verantwoordelijk overheden gunstig beantwoord en opgelost.

Sinds 1936 was Heer Anthierens altijd op de voorgrond getreden om te helpen om de Pinte te transformeren, door te ijveren voor het aanleggen van nieuwe gebetonneerde wegen en afwatering, en het opsplitsen van de gronden van de erfgenamen van Jules Verhoost (Frans Van Overbergh) en andere landeigenaars. In essentie, het opstellen van een moderniseringsplan waaruit de bouw volgde van vele villa’s. Het vroegere gehucht van Nazareth werd zo het mooiste “villa park” nabij Gent, met villa’s gelegen tussen the begonia velden.

In 1868 noemden de inwoners van De Pinte de villa “Pintemakerslust”, ter ere van Gustaaf van Hoorebeke, de advocaat die ijverde voor De Pinte’s onafhankelijkheid.

Vervolgens werd het de woning van Anthierens, die het verfraaide en ervoor zorgde met een esthetische visie, die het elegant en delicaat maakte. Gezien de verfraaiing van het dorp door zijn inspaningen, wilden de jonge inwoners van De Pinte hieraan het woord “schoon” toevoegen, als erkenning van de laatstse feiten. En zo werd de woning van pionier Anthierens, de vader, “Pinte’s schoonmakerslust” voor de komende generaties.

Niet alles wat de ontwerper deed was volmaakt, maar perfectie is niet van deze wereld. Alleen de goede inzichten maken de daden waardevol.

Julien Anthierens stierf in augustus 1960, twee jaar na zijn vrouw Florentina. Zijn zoon Karel bleef in de ouderlijke villa wonen tot 1969. In 1964 werd hij burgemeester van De Pinte en hij stierf onverwachts in 1969.

Vandaag 

De villa geeft een “vintage” indruk en de personen die er gewoond hebben, hebben hun stempel nagelaten op zowel de stijl en de functionaliteit. Vandaag is het geclassificeerd als groot alleenstaand huis, daterend van de 19e eeuw. 1868, het jaar waarin het gebouwd is, is ingewerkt in de witte ijzeren toegangspoorten. Opgetrokken in baksteen, met twee bouwlagen aan de rechterkant en drie aan de linkerkant, met een toren met schilddak. Het gebouw heeft meestal bovenaan rondbogige vensters zonder vensterluiken,  onder een zadeldak. De villa, oorspronkelijk bekend als “Pintemakerslust” als zomerverblijf, was later genoemd “Villa des Hortensias”, en later restaurant “Sanderling”. Voor deze latere bestemming werd een stijlvolle en moderne feestzaal bijgebouwd aan de achterzijde. Het comfort wordt gewaarborgd door centrale verwarming, bordestrap met ijzeren leuning, klasse meubilair en volledig ingerichte industriële keuken.

Vandaag is het domein een hedendaags en geraffineerde woonruimte gesitueerd in een uniek kader. Met een mooie aangelegde tuin biedt het een ideale plaats om te ontspannen in de buitenlucht. De haag die het erf omheint is altijd groen. Al van de eerste stap door de witte ijzeren poorten, gemarkeerd met het jaartal 18-68, voelen de bezoekers de rijke geschiedenis van deze plaats.

 Flora-18-300x225 Flora-68-300x225

Ook heeft de villa nu weer een andere naam. Het herinnert ons aan de persoon die de meest zichtbare indruk nagelaten heeft, Julien Anthierens. “Kasteel Flora” doet ons denken aan betekenissen die , alhoewel tegengesteld, elkaar aanvullen: zachtheid en sterkte. Hoewel indrukwekkend, is de naam pakkend, representatief voor zowel de locatie en de straat. “Kasteel Flora” toont ons de mooie edelweiss, een bloem die vele verhalen en legenden geïnspireerd heeft die nu deel uitmaken van de internationale folklore.

De bloem is gekend als symbool van de aristocratische geest, een bloem die overleeft in de extreme condities in de bergen en vrij zeldzaam. Als symbool van moed, liefde, puurheid en transparantie, is het beschouwd als een ware schat, de ultieme trofee. Net zoals de bewoners van de villa hun charme toegevoegd hebben aan de speciale geschiedenis van deze plaats, herinnerd door de locale bevolking in de verhalen die ze van generatie tot generatie doorvertellen, zo is de edelweiss bloem altijd tegenwoordig in populaire kunst, sprookjes en legendes die overal mondeling verspreid worden aan toekomstige generaties. De naam heeft een historisch, religieus en emotioneel gewicht.

De nieuwe bewoners willen eenieders hart bereiken en diensten aanbieden van hoge kwaliteit aan degenen die de belangrijkste evenementen van hun leven willen organiseren op deze wonderlijke plaats!

Vertaling en adaptatie Talida Barbe

kasteel-flora

Lasă un răspuns

Adresa ta de email nu va fi publicată. Câmpurile obligatorii sunt marcate cu *